Geschiedenis FC Barcelona

 

Model van Joan Gamper in het FC Barcelona-museum
 

FC Barcelona werd op 29 november 1899 door de Zwitser Hans Joan Gamper opgericht. Via een advertentie in lokale dagbladen wierf Gamper de eerste leden. De Engelsman Walter Wild werd de eerste voorzitter van de club. De eerste wedstrijd vond plaats op 8 december 1899: er werd met 1-0 verloren van een elftal van Engelse immigranten. De eerste jaren speelden vooral Zwitsers, landgenoten van Gamper, en Engelsen in het eerste elftal van FC Barcelona. In 1901 won de nieuwe voetbalclub de eerste prijs: de Copa Macaya, de eerste Catalaanse competitie. Een jaar later speelde FC Barcelona de eerste wedstrijd buiten Catalonië. Ter gelegenheid van de kroning van Alfonso XIII speelde Barcelona in de Spaanse hoofdstad Madrid tegen Madrid CF en won met 3-1. Het was de eerste van vele beladen duels met de Madrileense club. De wedstrijd tussen beide clubs staat wel bekend als de Derby van het Heelal. In 1908 dreigde opheffing voor de club vanwege financiële problemen en teruglopende publieke belangstelling. Gamper voorkwam dit door voorzitter te worden. In maart 1909 werd aan de Carrer Indústria het eerste eigen stadion geopend met de naam La Escopidora. Dit stadion had een capaciteit van 6.000 plaatsen.

Informatiebord over Josep Samitier in het Museu FC Barcelona
 

Begin jaren twintig van de twintigste eeuw beleefde Barça de eerste succesvolle periode met diverse prijzen. Josep Samitier, Paulino Alcántara, Sagi-Barbá en Vicenç Piera waren in die tijd de grote sterren, aangevuld met doelmannen Ricardo Zamora en later Franz Platko. In 1922 werd het stadion Camp de Les Corts in gebruik genomen. In deze succesperiode won FC Barcelona vier keer de Copa de España (1920, 1925, 1926, 1928), negen keer de Campionat de Catalunya (1919-1922, 1924-1928) en als slotstuk de eerste landstitel in 1928/1929. De grote rivaal in deze periode was vooral stadsgenoot RCD Espanyol met de Derbi de Barcelona als één van de belangrijkste wedstrijden van het seizoen.

Met de militaire coup van Miguel Primo de Rivera in 1923, het uitbreken van de Spaanse Burgeroorlog in 1936 en het aan de macht komen van Francisco Franco in 1939, was er lange tijd sprake van een sterke onderdrukking van de nationalistische gevoelens bij bevolkingsgroepen als de Catalanen. Franco veranderde de naam van FC Barcelona zelfs in het Spaanse Club Futbol de Barcelona. Juichen voor de eigen club FC Barcelona was voor veel Catalanen een manier om hun gevoelens te uiten.

In 1925 werd Joan Gamper er door de dictatuur van Primo de Rivera van beschuldigd het Catalaanse nationalisme aan te wakkeren als president van FC Barcelona. Direct aanleiding was het gefluit waarmee de supporters (culés) tijdens een wedstrijd de Marcha Real, het Spaans volkslied, hadden begeleid. Als straf werd het stadion Les Corts zes maanden gesloten en werd Gamper gedwongen af te treden als voorzitter. Gamper werd vervolgens uit Spanje verbannen en hij keerde terug naar zijn geboorteland Zwitserland, waar hij in 1930 zelfmoord pleegde.

Begin jaren dertig kreeg FC Barcelona te maken met de dreiging van onteigening van de club door anarchistische groeperingen en later marxisten. Om onteigening te voorkomen trad het clubbestuur af en het werd vervangen door een arbeiderscomité, waarin echter onder meer de clubsecretaris, de terreinknecht en enkele oud-bestuurders als vertegenwoordigers van de leden plaatsnamen, waardoor de continuïteit van de club gegarandeerd bleef. In 1936 kreeg FC Barcelona een nieuwe reden voor haat jegens Madrid in de vorm van de moord op clubvoorzitter Josep Sunyol. Sunyol was extreem links en vertegenwoordigde ook de politieke partij Esquerra Republicana de Catalunya in Madrid. Op 6 augustus 1936, enkele weken na de start van de Spaanse Burgeroorlog, reden Sunyol en een journalist zonder het te weten een verboden gebied binnen, de Sierra de Guadarrama. Zonder een vorm van gerechtelijk proces werd hij door het leger van Francisco Franco gearresteerd en ter dood gebracht. Pas een week later hoorde men in Barcelona wat er was gebeurd: Franco had de voorzitter van hun club vermoord. De haat jegens Madrid nam grote vormen aan.

In 1937 vertrok FC Barcelona op rondreis naar Mexico en de Verenigde Staten, toen voetbal vanwege de Spaanse Burgeroorlog onmogelijk was geworden. In Mexico speelde de club veertien wedstrijden tegen onder andere Club América, CF Atlante en Necaxa. FC Barcelona verbleef in september 1937 in New York, waar de club deelnam aan het New York Tournament. Alle vier wedstrijden werden gewonnen van achtereenvolgens Brooklyn Hispano (4-2), Saint Mary’s Celtic (4-3), American League Stars (2-0) en Jewish All-Stars (3-0). Slechts vier spelers, Argemí, Babot, Heros en Rafa, zouden met de technische staf terugkeren naar Barcelona. Aanvaller Martí Ventolrà was al eerder in Mexico achtergebleven nadat hij verliefd was geworden op het nichtje van de toenmalige Mexicaanse president. Ook Urquiaga, Fernando García, Gual, Iborra, Bardina, Munlloch, Pagès en Esteve Pedrol kozen voor Mexico, terwijl Domènec Balmanya, Josep Escolà, Josep Raich en Ramón Zabalo naar Frankrijk vluchtten. Raich, Escolà, Pedrol (1940), Balmanya (1941) en Zabalo (1944) zouden later terugkeren bij FC Barcelona, hoewel ze wel een jaar schorsing kregen voor het verlaten van Spanje.

In 1943 nam FC Barcelona het in de halve finale om de Copa del Generalisimo op tegen Real Madrid. De thuiswedstrijd werd met 3-0 gewonnen. Voorafgaand aan de return in Madrid, kwam José Finat y Escríva de Romani, directeur van de staatsveiligheidsdienst van Franco, de kleedkamer binnen en bedreigde de blaugranas. "Vergeet niet dat sommigen van jullie alleen maar mogen spelen bij de gratie van het regime dat jullie je gebrek aan vaderlandsliefde heeft vergeven," verkondigde Finat y Escríva de Romani. Ook de scheidsrechter maakte duidelijk dat hij zwaar zou optreden bij iedere vorm van ongedisciplineerd gedrag. In het stadion heerste een uiterst dreigende sfeer en door de fysieke en pschychische bedreigingen waren de spelers van Barcelona als versteend. Na acht minuten stond het 4-0, met rust 8-0 en na afloop 11-1 voor Real Madrid. De Madrileense pers was euforisch, maar de meer objectieve pers wist wel dat niet het goede spel van Real maar de bedreigingen hadden geleid tot deze enorme nederlaag van FC Barcelona. Zeven jaar later zou FC Barcelona thuis min of meer wraak nemen voor deze nederlaag. Met een 7-2 overwinning (met een hattrick van de Argentijn Mateo Nicolau) revancheerde de Catalaanse club zich en het betekende de grootste overwinning op Real Madrid ooit.
 
Pas in jaren vijftig en begin jaren zestig kende Barcelona weer grote successen. De komst van Ladislao Kubala, een vluchteling uit Hongarije, leidde deze nieuwe glorieperiode in. In 1952 won FC Barcelona vijf bekers: de Spaanse landstitel, de Spaanse beker, de Copa Latina, de Copa Eva Duarte en de Copa Martini Rossi. Deze prestatie leverde dit succesteam onder leiding van trainer Fernando Daucik de bijnaam Barça Cinc Copes (Barça van de Vijf Bekers) op. FC Barcelona leek in 1952 nog sterker te worden met het contracteren van Alfredo Di Stéfano. De komst van de Argentijnse aanvaller liep door inmenging van dubieuze tussenpersonen en de politiek echter mis en in plaats van FC Barcelona was het Real Madrid die Di Stéfano uiteindelijk contracteerde. Ook zonder Di Stéfano domineerde FC Barcelona samen met Real Madrid in Spanje met een elftal bestaand uit onder meer Kubala, Luis Suárez, Antoni Ramallets, Joan Segarra en Evaristo. Onder de Argentijnse trainer Helenio Herrera werd tweemaal de Europacup III gewonnen. In 1957 werd het nieuwe stadion Camp Nou geopend en werd de club kampioen van het Mundialito de Clubes. FC Barcelona was in 1960 de eerste club die Real Madrid in de Europacup I, na vijf titels op rij, wist uit te schakelen. De finale werd dat seizoen gehaald, maar daarin verloor Barcelona met 3-2 van Benfica. Het betekende het einde van deze succesperiode. In de jaren zestig won FC Barcelona nog wel de Copa del Generalísimo (1963 en 1968) en de Europacup III (1966).
 
De komst van Rinus Michels, Johan El Flaco Cruijff en Johan El Toro Neeskens in de jaren zeventig brachten nieuwe successen met zich mee voor FC Barcelona, met als hoogtepunt de landstitel van 1974. Bovendien werd met 5-0 gewonnen van Real Madrid in het Estadio Santiago Bernabéu, de grootste uitoverwinning ooit op de aartsrivaal. Twee Europa Cups voor Bekerwinnaars volgden in 1978 en 1982. De jaren tachtig verliepen wisselend voor Barça. Wel werd onder leiding van de Engelse trainer Terry Venables in 1985 de landstitel behaald. Een jaar later verloor FC Barcelona na strafschoppen van Steaua Boekarest in de Europacup I-finale. Sterren bij Barça in de jaren tachtig waren onder andere de Argentijn Diego Maradona en de Duitser Bernd Schuster. Toen Johan Cruijff in 1988 terugkeerde als coach bij de club, begon de meest succesvolle periode uit de geschiedenis. Onder leiding van de Nederlander won het fameuze Dream Team onder andere vier landstitels (1991-1994). Hoogtepunt was echter de winst van de Europa Cup I in 1992. Op Wembley maakte Ronald Koeman in de verlenging tegen het Italiaanse Sampdoria vanuit een vrije trap de enige treffer. In december 1992 streed FC Barcelona als winnaar van de Europa Cup I voor de Intercontinental Cup, maar in Tokyo kon er niet gewonnen worden van het Braziliaanse São Paulo FC (1-2). Hristo Stoichkov maakte het enige Barça-doelpunt. In het seizoen 1993/94 was het elftal van Cruijff op zijn sterkst met het aanvalstrio Hristo Stoichkov, Romário en Michael Laudrup. Dat seizoen werd Real Madrid met 5-0 verslagen in Camp Nou met een hattrick van Romário, een doeltreffende vrije trap van Ronald Koeman en een doelpunt van Iván Iglésias. Een passend slot aan dit seizoen ontbrak echter. De landstitel werd geprolongeerd, maar in de finale van de Champions League werd met 4-0 verloren van AC Milan. Hierna viel het succeselftal langzaam uiteen. De nieuwe spelers konden niet aan de verwachtingen voldoen en in 1996 werd Johan Cruijff vanwege tegenvallende resultaten ontslagen.
 
FC Barcelona hervond zich echter al snel na het ontslag van Cruijff en ook onder zijn opvolger, de Engelsman Bobby Robson, beleefde de club successen. In 1996-97 werden de Europacup II, de Copa del Rey en de Supercopa veroverd. De grote ster dat seizoen was Ronaldo, die onder andere de enige treffer maakte in de EC II-finale tegen Paris Saint-Germain. In 1997 volgde een derde Nederlander, Louis van Gaal, Robson op als coach van FC Barcelona. Onder zijn leiding won Barça de landstitel (1998, 1999), de Copa del Rey (1998) en de Europese Supercup (1997). In 2000 nam Van Gaal ontslag, nadat eerder president Josep Lluís Núñez was afgetreden.
 
Joan Gaspart volgde Núñez in 2000 op als president van FC Barcelona. Binnen een week was Gaspart een van de sterspelers al kwijt: Luís Figo maakte de verboden overstap naar aartsrivaal Real Madrid. Marc Overmars kwam als zijn vervanger, maar die kon nooit volledig aan de verwachtingen voldoen. Onder Gaspart kwam FC Barcelona in een sportieve en economische crisis terecht. Er werden geen prijzen meer gewonnen, veel dure aankopen konden totaal niet aan de verwachtingen voldoen en Gaspart ging totaal verkeerd om met het kapitaal van de club. De druk nam sterk toe en begin 2003 trad Gaspart af als president. Nieuwe verkiezingen waren noodzakelijk.

De leden (socios) van FC Barcelona kozen de advocaat Joan Laporta als nieuwe president. Onder advies van Johan Cruijff stelde Laporta de Nederlanders Frank Rijkaard en Henk ten Cate aan als trainersduo en daarnaast betrok hij verschillende oud-spelers bij de dagelijkse bezigheden van de club. Zo werd Aitor Beguiristain technisch directeur, Guillermo Amor hoofd opleidingen en Eusebio Sacristán assistent-trainer. Diverse topspelers werden gecontracteerd, met Ronaldinho als de grootste ster. De Braziliaanse aanvaller werd in dienst van FC Barcelona Europees Voetballer van het Jaar (2005) en Wereldvoetballer van het Jaar (2004, 2005). In eerste instantie vielen de sportieve prestaties enigszins tegen, maar uiteindelijk eindigde Barcelona in het seizoen 2003/04 als vicekampioen achter Valencia CF. In het seizoen 2004/05 werd FC Barcelona landskampioen en werd bovendien de Supercopa gewonnen. Op 17 december 2005 vestigde het FC Barcelona van Frank Rijkaard met een 3-1 overwinning tegen Cádiz CF zelfs een clubrecord van twaalf overwinningen op een rij. Het vorige record van elf overwinningen was in het seizoen 1955/56 gevestigd onder leiding van de toenmalige trainer Franz Platko en de sterspelers Ladislao Kubala en Luis Suárez. Mede dankzij deze reeks wist FC Barcelona de Spaanse titel in 2006 te prolongeren.
 
Een ander hoogtepunt was de overwinning van FC Barcelona in de UEFA Champions League. Na in de eerste ronde te hebben afgerekend met Panathinaikos FC, Werder Bremen en Udinese, wachtte in de achtste finale het Engelse Chelsea FC. Dankzij een 2-1 overwinning in Londen en een 1-1 gelijkspel thuis ging FC Barcelona door. Deze overwinning op Chelsea FC was extra bijzonder, aangezien het seizoen daarvoor de Engelse ploeg FC Barcelona na twee discutabele wedstrijden had uitgeschakeld. Via wedstrijden tegen het Portugese SL Benfica in de kwartfinale (0-0 uit, 2-0 thuis) en het Italiaanse AC Milan (0-1 uit, 0-0 thuis) in de halve finale bereikte FC Barcelona uiteindelijk de finale. Daarin was het Engelse Arsenal FC de tegenstander en de blaugranas wisten de finale met 2-1 te winnen. Na een 0-1 achterstand door een goal van Sol Campbell in de eerste helft, vocht Barça zich terug en de finale werd uiteindelijk gewonnen door doelpunten van Samuel Eto'o en Juliano Belletti.
Tot op heden weigert FC Barcelona commerciële shirtsponsoring. Sinds 2005 bevindt zich op de linkerarm wel het logo van sponsor TV3, een Catalaanse televisiezender. In 2006 sloot de club een overeenkomst voor vijf jaar met Unicef met de slogan Barça, meer dan een club, een nieuwe wereldwijde hoop voor kwetsbare kinderen, waarbij FC Barcelona de organisatie jaarlijks met een bedrag van 1.5 miljoen euro steunt en bovendien het recht heeft het embleem van Unicef af te beelden op wedstrijd- en trainingskleding. Unicef kan hierdoor beschouwd worden als de eerste shirtsponsor in de geschiedenis van de club.
Als winnaar van de UEFA Champions League nam FC Barcelona in december 2006 deel aan het WK voor clubs in Japan. De Catalanen startten overtuigend aan het toernooi door in de halve finale met 4-0 te winnen van het Mexicaanse Club América, winnaar van de CONCACAF Champions Cup. Eidur Gudjohnsen, Rafael Márquez, Ronaldinho en Deco waren doeltreffend. In de finale verloor FC Barcelona echter met 0-1 van het Braziliaanse Internacional de Porto Alegre. De Catalanen domineerden de wedstrijd, maar kwamen nauwelijks tot grote kansen. In de tachtigste minuut maakte Carlos Adriano het enige doelpunt van de finale. Niet alleen het WK liep uit op een teleurstelling, ook in de Spaanse competitie was er in het seizoen 2006/2007 geen succes. FC Barcelona eindigde in punten gelijk met landskampioen Real Madrid, dat echter de titel won op basis van het betere onderlinge resultaat. Nadat ook het seizoen 2007/2008 zonder hoofdprijzen eindigde, werd trainer Rijkaard vervangen door Josep Guardiola.